Home > Algemeen > Aansprakelijk gesteld in faillissement, hoe zit het met bewijslast?
Aansprakelijk gesteld in faillissement, hoe zit het met bewijslast?

Aansprakelijk gesteld in faillissement, hoe zit het met bewijslast?

U bent er ongetwijfeld mee bekend dat u als bestuurder een administratieplicht hebt en ook tijdig de jaarrekeningen moet deponeren. Indien u als bestuurder niet voldoet aan (één van) deze verplichtingen, levert dit onbehoorlijke taakvervulling op en wordt vermoed dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. In eerdere bijdragen schreven wij hier al over.
Indien de curator meent dat sprake is van schending van de administratieplicht en hij wil u als bestuurder aansprakelijk stellen, hoe zit dat precies met de stelplicht en bewijslast? Wat moet de curator precies bewijzen? En stel dat wordt aangenomen dat sprake is van een dergelijke schending, wat behoort de curator concreet te stellen en te bewijzen met betrekking tot het wettelijk vermoeden? Recentelijk kwamen deze vragen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden aan de orde.

Feiten in eerste aanleg
Uiteraard kwam de zaak eerst voor bij de rechtbank. De feiten zijn duidelijk: een vennootschap is failliet verklaard, als gevolg waarvan een curator is aangesteld. De curator stelt de bestuurder aansprakelijk voor het faillissementstekort. Centrale vraag is of de bestuurder van de vennootschap aansprakelijk is wegens kennelijk onbehoorlijke taakvervulling, waarbij het in deze zaak gaat om schending van de administratieplicht. De curator vordert bij de rechtbank een verklaring voor recht dat de bestuurder aansprakelijk is voor het gehele boedeltekort van de vennootschap. De rechtbank wijst de vordering af, omdat de administratieplicht niet zou zijn geschonden. Daaropvolgend gaat de curator in hoger beroep en vordering (opnieuw) veroordeling van de bestuurder tot voldoening van het faillissementstekort.

Gerechtshof
De curator dient de feiten en omstandigheden te stellen en – indien deze worden betwist door de bestuurder te bewijzen – die aantonen dat sprake is van schending van de administratieplicht. De curator voert aan dat uit de digitale boekhouding zou blijken dat de administratie niet deugdelijk is. Ook heeft een registeraccountant zijn twijfels geuit over de gevoerde administratie. Zo zouden er verschillen bestaan tussen gemaakte vergelijking van de balans uit de jaarrekening en de balans uit het boekhoudprogramma van de vennootschap. Het hof oordeelt echter dat de bestuurder de twijfels van de registeraccountant voldoende weerspreekt. Deze uitleg van de bestuurder bestrijdt de curator niet, waardoor het gerechtshof tot het oordeel komt dat de stellingen van de curator gemotiveerd zijn weerlegd. Schending van de administratieplicht wordt daarom niet aangenomen.

Het gerechtshof wijdt verder ook nog een aantal overwegingen aan de situatie waarin wél sprake zou zijn van een schending van de administratieplicht. Indien sprake zou zijn van schending van de administratieplicht, zou onbehoorlijke taakvervulling vaststaan en wordt vermoed dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement is. De bestuurder kan dit wettelijk vermoeden weerleggen. Daarvoor dient de bestuurder feiten en omstandigheden aan te voeren waaruit blijkt dat sprake is van een andere belangrijke oorzaak van het faillissement. Eén van de weren van de bestuurder is dat het faillissement onder meer zou zijn veroorzaakt door de kredietcrisis (en dus niet door schending van de administratieplicht). De bestuurder voert dus een andere oorzaak aan. Dit leidt er volgens het gerechtshof toe dat het wettelijk vermoeden is weerlegd. In het kader van de stelplicht en bewijslast, had het vervolgens op de weg van de curator gelegen te onderbouwen dat de onbehoorlijke taakvervulling mede een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. Dat heeft de curator volgens het gerechtshof niet in voldoende mate gedaan, waardoor het wettelijk vermoeden niet wordt aangenomen.

Conclusie
Op het moment dat het bestuur de administratieplicht heeft geschonden, zegt de wet dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en wordt vermoed dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Bij schending van voornoemde plichten, staat dus vast dat sprake is van onbehoorlijke taakvervulling. De curator dient echter wel feiten en omstandigheden aan te dragen waaruit daadwerkelijk blijkt dat sprake is van een schending. Voldoet de curator daar niet aan of wordt de schending niet aangenomen, zijn stelplicht en bewijslast (bijvoorbeeld doordat de bestuurder de stellingen van de curator gemotiveerd weerlegt en de rechtbank de bestuurder daarin volgt), dan wordt geen schending aangenomen. Indien de curator daar wel in slaagt, dan is onbehoorlijke taakvervulling in principe een gegeven. De tweede voorwaarde voor een succesvolle aansprakelijkstelling is dat het aannemelijk moet zijn dat de onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. De wetgever is de curator tegemoet gekomen door het opnemen van een wettelijk vermoeden inhoudende dat onbehoorlijke taakvervulling op grond van schending van de administratieplicht, een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Dit betekent echter niet dat de curator kan stilzitten. Indien de bestuurder dit wettelijk vermoeden weerlegt, bijvoorbeeld door het noemen van een andere oorzaak waardoor het faillissement zou zijn ontstaan, dient de curator vervolgens te bewijzen dat de onbehoorlijke taakvervulling mede een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest.

  • email
  • Facebook
  • Google Plus
  • LinkedIn
  • PDF
  • Print
  • Twitter
Naar boven scrollen