Home > Algemeen > Geen recht op terugneming ex art. 61 Fw ondanks huwelijkse voorwaarden
Geen recht op terugneming ex art. 61 Fw ondanks huwelijkse voorwaarden

Geen recht op terugneming ex art. 61 Fw ondanks huwelijkse voorwaarden

Een vrouw is in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met een man. Enkele jaren later hebben partijen huwelijkse voorwaarden opgesteld, waarbij elke huwelijksgoederengemeenschap werd uitgesloten. Partijen verkrijgen een woning in gezamenlijke eigendom tegen een koopsom van € 730.000 (k.k.). Ter financiering van de koop sluiten ze een hypothecaire lening bij de Rabobank voor € 460.000 af en daarnaast sluiten ze nog een lening af voor € 473.000. De man wordt enige tijd later in staat van faillissement verklaard.

De curator vordert een verklaring voor recht dat de woning in de failliete boedel van de man valt en dat de vrouw de woning niet kan en mag terugnemen uit deze failliete boedel. Aan zijn vordering legt de curator het navolgende ten grondslag. Het uitgangspunt van de Faillissementswet (hierna: Fw) is dat goederen die aan beide echtgenoten toebehoren in de faillissementsboedel vallen. Aan de (niet failliete) echtgenoot komt een zogeheten terugneemrecht toe op de voet van artikel 61 lid 1 Fw ter zake van goederen die hem/haar toebehoren en die niet in de huwelijksgemeenschap vallen. In lid 4 van artikel 61 Fw is daaraan nog een bijzondere (bewijs)regel toegevoegd ter zake van goederen die door de niet failliete echtgenoot zijn gefinancierd met eigen gelden uit (weder)belegging, zoals geregeld in artikel 1:95 lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Kort gezegd betreft het dan goederen verkregen uit (weder)belegging die door de failliete echtgenoot voor meer dan de helft zijn gefinancierd uit eigen middelen. De belegging of wederbelegging moet in geval van geschil (zoals in casu) door voldoende bescheiden ten genoegen van de rechter worden bewezen. De vrouw heeft zich beroepen op haar terugneemrecht, hetgeen volgens de curator zonder grond is, omdat de woning niet ‘voor meer dan de helft’ is gefinancierd door eigen gelden van de vrouw ten tijde van de levering (verkrijging) van de woning.

Het Hof overweegt als volgt. Tussen de vrouw en de man bestaat geen enkele huwelijksgemeenschap, zo volgt uit hun huwelijkse voorwaarden. Zij hebben echter de woning in gezamenlijke eigendom verkregen, zodat ten aanzien van deze woning sprake is van een eenvoudige gemeenschap als bedoeld in artikel 3:166 BW. Voor een beroep op artikel 61 lid 1 en lid 4 Fw jo. 1:95 lid 1 BW dient de niet failliete echtgenoot (hier de vrouw) aan te tonen dat de woning voor meer dan de helft met eigen middelen is gefinancierd (dat de woning ook haar onverdeelde mede-eigendom is staat wel vast). Gelet op artikel 1:95 lid 1 BW is het moment van de verkrijging bepalend voor het antwoord op de vraag of de vrouw voor meer dan de helft heeft bijgedragen (uit eigen vermogen). Indien de vrouw niet in dit bewijs slaagt valt de woning in de faillissementsboedel, ongeacht de eigendomsvraag (HR 23 mei 1924, NJ 1924, p. 817 en vgl. HR 27 mei 1966, NJ 1966, 352: deze regel geldt ook voor echtgenoten die buiten iedere gemeenschap van goederen zijn gehuwd). Dit betekent dat de curator het huis volledig kan uitwinnen ten behoeve van de schuldeisers van de failliete echtgenoot. Voor de vrouw resteert dan een concurrente vordering in het faillissement. De aankoop van de woning is gefinancierd met twee leningen. De vrouw heeft volgens het Hof onvoldoende bewezen dat zij voor meer dan de helft uit eigen vermogen heeft bijgedragen aan de verkrijging van de woning.

De vrouw doet daarnaast een beroep op een retentierecht ten aanzien van twee vorderingen. Het Hof verwerpt het beroep omdat niet is gebleken dat de vrouw nog een bedrag te vorderen heeft van de curator. Daarnaast bepaalt het Hof dat een retentierecht niet in de weg staat aan afgifte van de woning aan de curator om deze vervolgens op de voet van artikel 101 of artikel 176 Fw te verkopen. De vrouw kan wel haar vergoedingsvordering (die in deze procedure niet kan worden vastgesteld) ter verificatie indienen (artikel 110 Fw), maar kan de verkoop met die vordering niet tegenhouden.

Ten slotte voert de vrouw aan dat artikel 61 Fw in strijd is met artikel 1 Eerste Protocol EVRM en artikel 17 Handvest grondrechten EU. Deze bepalingen beschermen het recht op eigendom. Zij meent dat haar eigendom niet mag worden ontnomen. Het Hof verwerpt dit betoog. De inhoud en strekking van artikel 61 Fw is al eerder onderkend door HR 27 mei 1996, NJ 1996, 352: de wetgever heeft de waarborg willen scheppen om ten behoeve van schuldeisers te voorkomen dat, als gevolg van vermogensverschuivingen tussen de echtgenoten, door terugneming baten aan de boedel van de gefailleerde echtgenoot zouden worden onttrokken. Naar het oordeel van het Hof, dat aansluit bij het oordeel van het Hof ’s-Hertogenbosch 12 augustus 2014 (rov. 4.10), ECLI:NL:GHSHE:2014:2773, is hier sprake van een “fair balance”. Bij de totstandkoming van de litigieuze regeling in artikel 61 lid 4 Fw in samenhang met artikel 1:95 lid 1 BW heeft de wetgever aandacht besteed aan dit (nieuwe) stelsel en een duidelijke regeling gegeven waarbij de belangen van schuldeisers in het faillissement (van de ene echtgenoot) enerzijds en de echtgenoot van de failliet anderzijds zijn betrokken en afgewogen. Deze regeling strekt ertoe de waarde van bezittingen van de echtgenoot van de failliet, voor zover deze waarde niet is ontleend aan het eigen vermogen van deze echtgenoot, beschikbaar te stellen voor de schuldeisers in het faillissement.

  • email
  • Facebook
  • Google Plus
  • LinkedIn
  • PDF
  • Print
  • Twitter
Naar boven scrollen